Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:874
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:874 → ECLI:NL:GHDHA:2023:2973
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:874 → ECLI:NL:PHR:2026:359
Inhoudsindicatie
Vervoeren van ruim 10 kilo XTC-pillen in tas op achterbank van de door verdachte bestuurde auto, art. 2.B Opiumwet. Strafoplegging in strijd met art. 9.4 Sr, nu aan verdachte (naast geldboete van € 30.000, subsidiair 185 dagen hechtenis) een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk is opgelegd in combinatie met taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Ex art. 9.4 Sr kan naast gevangenisstraf of hechtenis een taakstraf worden opgelegd maar enkel als onvoorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf of hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt. In onderhavige zaak bedraagt onvoorwaardelijk deel van gevangenisstraf 8 maanden, waardoor strafoplegging in strijd is met art. 9.4 Sr. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.521 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/04817
Datum 16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 december 2023, nummer 22-003238-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.