Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:872

2026-06-09 Strafrecht 24/00818
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/00818
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; SR-Updates.nl 2026-0188; RvdW 2026/727

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen overdragen van semi-automatische pistolen aan pseudokopers, art. 31.1 WWM. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat uit dossier niet kan volgen dat verdachte als medepleger betrokken was bij overdracht, art. 359.2 Sv. 2. Bewijsklacht medeplegen. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Het is niet onbegrijpelijk dat hof o.g.v. feiten en omstandigheden, die hof o.b.v. bewijsmiddelen heeft vastgesteld, heeft geoordeeld dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij regelen van overdracht van tlgd. vuurwapens en bij feitelijke overdracht zelf. Uit vaststellingen blijkt immers dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat medeverdachten A en B in staat waren om daadwerkelijk uitvoering te geven aan (eerste deel van) hun afspraak met pseudokopers. Zoals hof heeft vastgesteld volgt uit observatieverslag dat verdachte wordt gezien in directe omgeving van plek waar even later tlgd. vuurwapens aan pseudokopers worden overgedragen. Dat verdachte niet ook op het moment dat wapens door A en B daadwerkelijk aan pseudokopers werden overgedragen daar zelf lijfelijk bij aanwezig was, doet niet af aan de uit bewijsvoering blijkende essentiële rol die verdachte in de aan overdracht van wapens voorafgaande fase heeft vervuld en waarbij verdachte in elk geval nauw en bewust met medeverdachte A heeft samengewerkt, in aanmerking genomen dat verdachte (nadat hij kort voor overdracht van wapens munitie aan A had afgeleverd) met A afsprak dat deze na feit naar verdachte toe zou komen. Ook houdt voor bewijs gebruikt proces-verbaal van bevindingen in dat medeverdachte B tegen pseudokoper heeft gezegd “dat iedereen een deel van deze taart ging krijgen”, hetgeen indicatie lijkt voor het door alle betrokkenen delen in buit. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.282 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 24/00818

Datum 9 juni 2026




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2024, nummer 22-003430-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring.


2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertig maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.