Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:737
2026-05-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/02744
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:737 → ECLI:NL:GHARL:2025:4107
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2025:4107 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2025
- ECLI:NL:HR:2026:25 Hoge Raad 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.066 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02744
Datum 1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2025, nr. BK-ARN 24/543, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/1546) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak januari 2021.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Bosma en N. Brameijer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
ECLI:NL:GHARL:2025:4107.
Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25.
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02744
Datum 1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2025, nr. BK-ARN 24/543, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/1546) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak januari 2021.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Bosma en N. Brameijer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
ECLI:NL:GHARL:2025:4107.
Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25.