Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:729

2026-05-01 Bestuursrecht; Belastingrecht 22/02814
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-05-01
Publicatiedatum
2026-04-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/02814
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NDFR Nieuws 2026/691; Viditax (FutD) 2026050113; V-N Vandaag 2026/874; FutD 2026-0767; NTFR 2026/769 met annotatie van mr. dr. B.M.M. Didden; V-N 2026/21.6 met annotatie van Redactie; BNB 2026/86; FED 2026/91 met annotatie van Redactie, S.P.M. Kramer

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Artikel 53 AOW.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.558 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 22/02814

Datum 1 mei 2026



ARREST



in de zaak van




[X] (hierna: belanghebbende)



tegen



de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 mei 2022, nrs. 21/2248 AOW en 21/2225 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 20/1017) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank inzake de voorlopige vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.





1Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Weermeijer, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.


1.2
Bij brief van 15 maart 2024 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad bij arrest van 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, gestelde prejudiciële vragen.Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 4 september 2025, Hakamp, C-203/24, ECLI:EU:C:2025:662 (hierna: het arrest Hakamp), die vragen beantwoord.


1.3
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest Hakamp. Belanghebbende en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank hebben schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van de middelen

2.1
De klachten die zijn gericht tegen het oordeel van de Centrale Raad dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is op belanghebbende, falen. De klachten richten zich namelijk enkel tegen vaststellingen van feitelijke aard van de Centrale Raad. Daarover kan in cassatie niet met succes worden geklaagd. Daardoor is het antwoord op een eventuele vraag over de uitlegging of geldigheid van een bepaling van Unierecht, hoe het ook luidt, niet relevant voor de beslissing van het geschil in cassatie. Als gevolg daarvan bestaat geen aanleiding een prejudiciële vraag daarover aan het Hof van Justitie te stellen.


2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Centrale Raad beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).




3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.




ECLI:NL:CRVB:2022:1239.