Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:720
2026-04-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/04540
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:720 → ECLI:NL:GHARL:2024:6690
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:720 → ECLI:NL:PHR:2025:1324
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:720 → ECLI:NL:PHR:2025:1405
Inhoudsindicatie
Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2026:564 Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2024:6690 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2025:1324 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1405 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.309 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04540
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X6] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 29 oktober 2024, nr. BK-ARN 23/75, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 20/2805) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
1.3
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
De in het incidentele beroep voorgestelde middelen kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04536, ECLI:NL:HR:2026:564.
4Slotsom
Gelet op wat hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de stukken van het geding volgt dat het belastbare loon van belanghebbende inclusief de door het Hof buiten aanmerking gelaten Liechtensteinse socialezekerheidspremies (de Abzüge) hoger is dan het in de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) in aanmerking genomen belastbare loon. Nu de aanslag voor het overige in cassatie niet of, gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, tevergeefs is bestreden, heeft de Rechtbank het beroep daarom terecht ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:6690.
ECLI:NL:PHR:2025:1324, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04540
Datum 24 april 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X6] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 29 oktober 2024, nr. BK-ARN 23/75, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 20/2805) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
1.3
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
De in het incidentele beroep voorgestelde middelen kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04536, ECLI:NL:HR:2026:564.
4Slotsom
Gelet op wat hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de stukken van het geding volgt dat het belastbare loon van belanghebbende inclusief de door het Hof buiten aanmerking gelaten Liechtensteinse socialezekerheidspremies (de Abzüge) hoger is dan het in de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) in aanmerking genomen belastbare loon. Nu de aanslag voor het overige in cassatie niet of, gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, tevergeefs is bestreden, heeft de Rechtbank het beroep daarom terecht ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:6690.
ECLI:NL:PHR:2025:1324, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.