Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:627
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:627 → ECLI:NL:GHAMS:2024:1843
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:627 → ECLI:NL:PHR:2026:204
Inhoudsindicatie
Voorbereidingshandelingen m.b.t. cocaïnehandel (art. 10a.1.2 Opiumwet), als leider deelnemen aan criminele (drugs)organisatie die zich bezighoudt met grootschalige (internationale) handel in cocaïne en (gewoonte)witwassen (art. 11b.2 Opiumwet jo. 140.4 Sr) en medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 89.230) (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. deelnemen aan criminele organisatie, v.zv. inhoudende dat (gewoonte)witwassen oogmerk van organisatie was en dat verdachte een van leiders was. 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van medeverdachte (zus van verdachte) als getuige, op de grond dat het niet aannemelijk is dat getuige binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord, art. 288.1.a Sv. 2. Bewijsklachten deelnemen aan criminele organisatie t.a.v. grondslagverlating, innerlijke tegenstrijdigheid in bewijsvoering, oogmerk van organisatie, onderdeel dat verdachte een van leiders van organisatie was en meerdaadse samenloop a.b.i. art. 57 Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02516 en 24/02518.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.649 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/02580
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004362-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.