Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:616

2026-04-14 Strafrecht 24/03401
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-04-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
24/03401
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2026/570

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. smaadschrift door een ander te presenteren als degene die op homo-datingsite een advertentie heeft geplaatst met seksuele inhoud, art. 261.2 Sr. Kon hof oordelen dat geen sprake is van “tll. van bepaald feit” a.b.i. art. 261 Sr? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.634 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 24/03401

Datum 14 april 2026




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2024, nummer 23-002758-23, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.