Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:420

2026-03-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/03977
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-03-13
Publicatiedatum
2026-03-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/03977
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.840 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 24/03977

Datum 13 maart 2026



ARREST



op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2024, nr. SGR 23/7254 V.





1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.



2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. Bij brief van 15 januari 2026 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen. In deze brief is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn het in die brief genoemde verzuim zal worden hersteld. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 12 februari 2026, maar zonder het verzuim te herstellen. De Hoge Raad zal daarom met toepassing van artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.



3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.



ECLI:NL:HR:2025:1903.