Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:401
2026-03-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/00914
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:401 → ECLI:NL:GHSHE:2024:268
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; art. 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014); geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:268 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.961 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00914
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/00793, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7652) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In de uitspraak van het Hof liggen de oordelen besloten (i) dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat niet is voldaan aan het inschrijvingsvereiste van artikel 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014), en (ii) dat dit niet leidt tot schending van de Verordening 883/2004 en de Verordening 857/2009 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, noch tot een schending van enige andere regel van het Unierecht. De klachten falen voor zover zij zich hiertegen richten, aangezien die oordelen, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, juist zijn. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door belanghebbende is verzocht.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2024:268.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00914
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/00793, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7652) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In de uitspraak van het Hof liggen de oordelen besloten (i) dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat niet is voldaan aan het inschrijvingsvereiste van artikel 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014), en (ii) dat dit niet leidt tot schending van de Verordening 883/2004 en de Verordening 857/2009 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, noch tot een schending van enige andere regel van het Unierecht. De klachten falen voor zover zij zich hiertegen richten, aangezien die oordelen, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, juist zijn. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door belanghebbende is verzocht.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2024:268.