Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:40

2026-01-13 Strafrecht 23/04403
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-01-13
Publicatiedatum
2026-01-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/04403
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2026-0013 | RvdW 2026/230

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben van XTC-pillen (art. 2.C Opiumwet) en verkoop en aankoop van XTC-pillen, meermalen gepleegd (art. 2.B Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht betrouwbaarheid verklaringen van getuige. 2. Bewijsklacht alternatief scenario. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat prijzen waarover in ontsleutelde chatberichten wordt gesproken maken dat geen sprake kan zijn van “echte” XTC-pillen, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. en 2. Pleitnotities bevatten geen uos dat ertoe strekt enige verklaring van getuige van bewijs uit te sluiten. Hof heeft hetgeen door verdediging is aangevoerd kennelijk en bepaald niet onbegrijpelijk opgevat als tot vrijspraak strekkend verweer, waarbij alternatief scenario is ingeroepen en waarbij prijzen zijn aangehaald ter nadere motivering van dat verweer. In zijn bewijsoverwegingen heeft hof uitgebreid gemotiveerd waarom het aan dat verweer voorbijgaat. Van schending van de in art. 359.2 Sv neergelegde motiveringsplicht kan dan ook geen sprake zijn, in aanmerking genomen dat hof niet gehouden was om op elk detail van argumentatie in te gaan. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.901 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 23/04403

Datum 13 januari 2026



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2023, nummer 20-002900-22, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.B.M. Bos bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 bewezenverklaarde.


2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.




3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.



5Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.