Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:39
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:39 → ECLI:NL:GHSHE:2023:3356
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:39 → ECLI:NL:PHR:2025:1387
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal van koperen leidingen, art. 311.1.4 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg voor primair tlgd. diefstal en veroordeling voor subsidiair tlgd. schuldheling. 1. Bewijsklacht betrouwbaarheid verklaringen van medeverdachte. 2. Bewijsklacht medeplegen. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft betrouwbaar geachte verklaring van medeverdachte voor bewijs gebruikt. Uit deze verklaring volgt dat medeverdachte de verdachte kent van plaats waar medeverdachte zijn taakstraf uitvoert. Verdachte heeft daar aan medeverdachte gevraagd om hem te helpen iets op te halen. Medeverdachte is daarop met verdachte meegegaan naar oud gebouw waarin veel mensen aan het werk waren. Op enig moment overhandigde verdachte hem tas die daar stond, waarna hij deze tas op zijn fiets heeft gezet en samen met verdachte wilde wegfietsen. Medeverdachte is echter tot stoppen gedwongen doordat bouwvakker zijn fiets vastpakte. In tas bleek volgens bouwvakker gestolen koper te zitten. Naar oordeel van hof heeft medeverdachte zich met deze verklaring “belastende rol toebedeeld bij diefstal”. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, nu verklaring steun biedt aan zijn betrokkenheid bij koperdiefstal. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat verdachte tezamen met medeverdachte koperen leidingen heeft weggenomen. In het licht van ‘s hofs vaststellingen in zijn bewijsvoering is dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, nu uit die vaststellingen blijkt dat verdachte diefstal niet alleen heeft gepleegd en dat hij zo’n intellectuele en/of materiële bijdrage aan diefstal heeft geleverd dat hij deze heeft medegepleegd. Daarbij is van belang dat aanwezigheid van verdachte op plaats delict is komen vast te staan, omdat aldaar van hem opname is gemaakt en medeverdachte heeft verklaard dat verdachte hem heeft gevraagd mee te gaan en aan hem tas heeft aangereikt met daarin gestolen koper. Enkele omstandigheid dat bij verdachte geen koper is aangetroffen, doet aan daaraan niet af. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2026:687 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (2.279 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/03853
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2023, nummer 20-002372-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het in de zaak met parketnummer 01307681-21 bewezenverklaarde medeplegen van diefstal.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.