Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:200
2026-02-06
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/04454
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:200 → ECLI:NL:GHSHE:2024:3396
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:200 → ECLI:NL:GHSHE:2024:4068
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:200 → ECLI:NL:PHR:2025:1215
Inhoudsindicatie
Artikel 32 Rv; ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen hersteluitspraak; verzoek om schadevergoeding.
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4068 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2026:865 Parket bij de Hoge Raad 11-09-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3748 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-06-2026
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.742 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04454
Datum 6 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2024 en van 18 december 2024, nrs. 21/1566 en 21/1567, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/4769 en 20/4770) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft afzonderlijke conclusies van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.2
Bij brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende aan het Hof geschreven dat het niet is ingegaan op zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade.
2.3
In zijn uitspraak van 18 december 2024 (hierna: de hersteluitspraak) heeft het Hof zijn uitspraak van 30 oktober 2024 verbeterd, alsnog op dit verzoek beslist en de Staat veroordeeld aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade en een proceskostenvergoeding te betalen. Het Hof heeft de Inspecteur in die uitspraak niet opgedragen het bij het Hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen de hersteluitspraak
In zijn uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten. Bij de hersteluitspraak heeft het Hof die fout hersteld, en zijn uitspraak van 30 oktober 2024 op die punten aangevuld. Het Hof was daartoe bevoegd en ook verplicht (vgl. artikel 32 Rv). Tegen een dergelijke uitspraak staat zelfstandig cassatieberoep open. Het cassatieberoep is daarom ook ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hersteluitspraak.
4Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraken van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraken. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Verzoek om schadevergoeding
Belanghebbende heeft in cassatie verzocht om schadevergoeding. De Hoge Raad merkt dit aan als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 Awb. Zo’n verzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 29 AWR, niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 en ECLI:NL:GHSHE:2024:4068.
ECLI:NL:PHR:2025:1215.
Vgl. Kamerstukken 1999/2000, 26 855, nr. 5, blz. 32.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04454
Datum 6 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2024 en van 18 december 2024, nrs. 21/1566 en 21/1567, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/4769 en 20/4770) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een verzoek van belanghebbende om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft afzonderlijke conclusies van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 14 november 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.2
Bij brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende aan het Hof geschreven dat het niet is ingegaan op zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade.
2.3
In zijn uitspraak van 18 december 2024 (hierna: de hersteluitspraak) heeft het Hof zijn uitspraak van 30 oktober 2024 verbeterd, alsnog op dit verzoek beslist en de Staat veroordeeld aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade en een proceskostenvergoeding te betalen. Het Hof heeft de Inspecteur in die uitspraak niet opgedragen het bij het Hof betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen de hersteluitspraak
In zijn uitspraak van 30 oktober 2024 heeft het Hof verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten. Bij de hersteluitspraak heeft het Hof die fout hersteld, en zijn uitspraak van 30 oktober 2024 op die punten aangevuld. Het Hof was daartoe bevoegd en ook verplicht (vgl. artikel 32 Rv). Tegen een dergelijke uitspraak staat zelfstandig cassatieberoep open. Het cassatieberoep is daarom ook ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de hersteluitspraak.
4Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraken van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraken. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6Verzoek om schadevergoeding
Belanghebbende heeft in cassatie verzocht om schadevergoeding. De Hoge Raad merkt dit aan als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 Awb. Zo’n verzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 29 AWR, niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2024:3396 en ECLI:NL:GHSHE:2024:4068.
ECLI:NL:PHR:2025:1215.
Vgl. Kamerstukken 1999/2000, 26 855, nr. 5, blz. 32.