Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:174
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:174 → ECLI:NL:PHR:2026:44
Inhoudsindicatie
Weigering bloedonderzoek (art. 163.6 WVW 1994) en rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid (art. 9.1 WVW 1994). 1. Betekening dagvaarding in eerste aanleg, art. 36e.2.b Sv. Kon hof oordelen dat dagvaarding in e.a. rechtsgeldig is betekend, nu verdachte t.t.v. behandeling van zaak in e.a. uit anderen hoofde zou zijn gedetineerd in Duitsland? 2. Aanwezigheidsrecht. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in e.a. per e-mail gedaan door raadsman op de grond dat verdachte gedetineerd zou zijn in Duitsland, door Pr afgewezen o.g.v. overweging dat niet vaststaat dat verdachte gedetineerd is in buitenland. Kon hof het verzoek tot terugwijzing van zaak ter effectuering van aanwezigheidsrecht in 2 feitelijke instanties verwerpen? HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.262 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/04511
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 november 2023, nummer 21-004939-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.