Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:161
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:161 → ECLI:NL:PHR:2025:1392
Inhoudsindicatie
Zware mishandeling door aangever tegen gezicht te slaan waardoor deze letsel aan oog, jukbeen, wang en gebit heeft opgelopen (art. 302.1 Sr). 1. Post-Keskin. Afwijzing van een voorafgaand aan nadere tz. in hoger beroep per e-mail gedaan verzoek tot horen van belastende getuige (6 maanden na instellen h.b.), op de grond dat noodzaak daarvan niet is gebleken en “niet alle belastende getuigen door verdediging moeten kunnen worden ondervraagd”. Kon hof de bij politie afgelegde verklaring van belastende getuige ook zonder bestaan van compenserende factoren voor bewijs gebruiken? 2. Bewijsklacht voorwaardelijk opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 3. Betrouwbaarheid van verklaringen van ‘belastende getuigen’. 4. Afwijzing van voorwaardelijk verzoek tot benoemen van deskundige. 5. Redelijke termijn in h.b. Kon hof oordelen dat overschrijding van redelijke termijn zich laat verklaren door ‘proceshandelingen’ van verdediging en hof hierom zal volstaan met constatering van overschrijding van redelijke termijn? 6. Schriftuur benadeelde partij. Kunnen klachten over vordering b.p. en ‘s hofs oordeel dat in strafzaak kan worden volstaan met vaststelling dat redelijke termijn is overschreden, worden aangemerkt als cassatiemiddel? Ad 1., 2., 3, 4. en 5. HR: art. 81.1 RO. Ad 6. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Dat geldt ook voor middelen a.b.i. art. 437.3 Sv. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over rechtspunt betreffende haar vordering. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.324 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/02095
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, nummer 21-005142-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens [benadeelde] heeft de advocaat C.A.M. Dilven een schriftelijk stuk ingediend.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van de schriftuur die namens de benadeelde partij is ingediend
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.