Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:148

2026-02-03 Strafrecht 23/04854
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-02-03
Publicatiedatum
2026-01-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
23/04854
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2026/305

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Medeplegen passieve ambtelijke omkoping, meermalen gepleegd (art. 2:351 SrM) en medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 230 SrNA (oud)) door hoofd van beheersdienst van ministerie m.b.t. aanbesteding van vuilnisstortplaats in Sint Maarten. 1. Nietigheid onderzoek ttz. in hoger beroep, nu volledige versie van pleitnota die raadsvrouw ttz. in hoger beroep heeft overgelegd zich niet bij stukken bevindt? 2. Nietigheid onderzoek ttz. in h.b., nu vordering PG ontbreekt, niet blijkt dat PG zijn vordering ttz. in h.b. heeft voorgelezen en niet blijkt dat PG zijn vordering na voorlezing aan hof heeft overgelegd? Art. 353.1 SvSM. 3. Bewijsklacht ambtelijke omkoping. Kon hof oordelen dat verdachte (als medepleger) giften en diensten heeft gevraagd dan wel aangenomen, wetende dat deze werden gedaan teneinde hem te bewegen iets te doen of na te laten en/of dat hij niet alleen vanwege zakelijke redenen positief omtrent gunning aan bedrijf heeft geadviseerd? 4. Bewijsklachten valsheid in geschrift t.a.v. betrokkenheid van verdachte bij valselijk opmaken of vervalsen van aantal geschriften (facturen en “purchase orders”). 5. Bewijsklachten valsheid in geschrift t.a.v. gebruik maken van deel van geschriften. Levert het laten paraferen dan wel in administratie laten opnemen van facturen en “purchase orders” gebruik maken van a.b.i. art. 230.2 SrNA (oud) op? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04911 C.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.669 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 23/04854 C

Datum 3 februari 2026




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 30 november 2023, nummer H 210/21, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.W.M. Stevens bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 31 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.