Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1475
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1475 → ECLI:NL:GHDHA:2025:744
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1475 → ECLI:NL:PHR:2026:802
Inhoudsindicatie
Twee verkrachtingen (art. 242 (oud) Sr) en poging tot aanranding van minderjarige meisjes in kelderboxen in Schiedam in 2010 (art. 246 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. poging tot aanranding. Bewijsklachten poging tot aanranding. 1. Schakelbewijs (modus operandi als steunbewijs) en bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van aanranding worden afgeleid? Ad 1 en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft gedetailleerd en gemotiveerd uiteengezet waarom verklaring van aangeefster in hoge mate overeenkomt met wat slachtoffers in andere zaken hebben verklaard. Die motivering laat aan duidelijkheid niets te wensen over, ook niet als het gaat om vraag wat er in dit geval telkens zo specifiek was aan werkwijze van dader. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat omstandigheid dat elk van slachtoffers spreekt over een op essentiële onderdelen identieke situatie, maakt dat deze verklaringen de verklaring van aangeefster (ook) in bewijstechnische zin (als steunbewijs) ondersteunen. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Tegen achtergrond van werkwijze van verdachte in andere zaken is oordeel hof dat gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op voltooiing van het door verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) aanranding, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.925 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 25/01641
Datum 15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 april 2025, nummer 22-000732-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.B.A. Acda bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel
3.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 3.
3.2
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof.
3.3
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2026.