Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1423
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1423 → ECLI:NL:PHR:2026:756
Inhoudsindicatie
Ontucht met 11-jarig meisje (art. 245 (oud) Sr), verkrachting, meermalen gepleegd (art. 242 (oud) Sr), gewoonte maken van vervaardigen en bezit van kinderporno (art. 240b.2 (oud) Sr), bedreiging, meermalen gepleegd, (art. 285.1 Sr) en afdreiging (art. 318.1 Sr). 1. Bewijsklacht verkrachting. Kon hof voor bewezenverklaring redengevend achten dat aangeefster vanwege haar cultuur gevaar liep door relatie met verdachte, terwijl deze omstandigheid niet uit bewijsmiddelen blijkt? 2. Bewijsklacht bezit van kinderporno t.a.v. leeftijd van aangeefster op 2 video’s. 3. Bewijsklacht bedreiging. Kan bedreiging uit b.m. worden afgeleid, nu daaruit niet blijkt dat aangeefster kennis heeft genomen van bedreiging? 4. Bewijsklacht afdreiging. Kan uit b.m. worden afgeleid dat verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot afgifte van geldbedragen en naaktfoto’s? 5. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade, rechtstreekse schade. Kon hof oordelen dat aangeefster schade heeft geleden a.g.v. bewezenverklaarde feiten, nu dit oordeel mede is gebaseerd op tlgd. feit waarvan verdachte gedeeltelijk is vrijgesproken? 6. Bewijsklacht verkrachting en bezit van kinderporno. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster en haar zus, art. 359.2 Sv. 7. Bewijsklacht verkrachting t.a.v. opzet. Kon hof oordelen dat aangeefster door andere feitelijkheid is gedwongen tot ondergaan van seksuele handelingen, nu verdachte en aangeefster een affectieve relatie hadden? 8. Is ’s hofs beslissing tot opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis toereikend gemotiveerd? Belang bij cassatie? HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.686 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 25/01005
Datum 8 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2025, nummer 21-003503-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat M. Rotgans een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren en zes maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en vijf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.