Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1358
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1358 → ECLI:NL:PHR:2026:571
Inhoudsindicatie
Medeplegen afpersing, art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht, innerlijke tegenstrijdigheid ‘s hofs arrest. Strookt ’s hofs vaststelling in bewijsvoering “medeverdachte zei op dreigende toon dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen” met vrijspraak van “(dreigend)” gezegd zijn van die soortgelijke tlgd. bewoordingen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: In ’s hofs oordeel en daarbij betrokken feiten en omstandigheden ligt besloten dat tlgd. bewoordingen “dat hij dan niet thuis zou komen” niet (zoals is tlgd.) “dreigend” (door medeverdachte) tegen aangever gezegd. Daarom moet worden aangenomen dat ten gevolge van kennelijke vergissing in bewijsvoering is opgenomen dat medeverdachte “op dreigende toon” zei “dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen”, terwijl hof kennelijk slechts heeft bedoeld duidelijk te maken dat deze door medeverdachte gebruikte bewoordingen aan bedreigende sfeer hebben bijgedragen. Verdachte is door ongelukkige formulering van hof niet in zijn belangen geschaad, omdat uit ’s hofs vaststellingen in bewijsvoering in voldoende mate kan worden afgeleid dat sprake is geweest van bedreiging met geweld a.b.i. art. 317 Sr. Uit samenstel van vastgestelde uitlatingen en gedragingen heeft hof immers kunnen afleiden dat vrees van aangever voor geweld gerechtvaardigd was. Dat bewezenverklaarde bewoordingen niet op dreigende wijze zijn gezegd doet daar niet af, in aanmerking genomen dat hof blijkens arrest is uitgegaan van lezing van aangever over hetgeen is gebeurd en hof ook heeft vastgesteld dat aangever zich bedreigd voelde en gevoel had dat hij geen kant op kon. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.531 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/03531
Datum 25 augustus 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024, nummer 21-004442-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel ziet op het onder 1 primair bewezenverklaarde en klaagt dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 263 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.