Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1345
2026-08-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/01110
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1345 → ECLI:NL:GHSHE:2025:335
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:335 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.123 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01110
Datum 7 augustus 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 februari 2025, nrs. 23/1639 en 23/1640, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nrs. SHE 22/2114 en 23/1986) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de watersysteemheffing, in de zuiveringsheffing, in de afvalstoffenheffing en in de rioolheffing van de gemeente Gemert-Bakel.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2025:335.
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01110
Datum 7 augustus 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 februari 2025, nrs. 23/1639 en 23/1640, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nrs. SHE 22/2114 en 23/1986) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de watersysteemheffing, in de zuiveringsheffing, in de afvalstoffenheffing en in de rioolheffing van de gemeente Gemert-Bakel.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
ECLI:NL:GHSHE:2025:335.