Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1343
2026-08-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
26/00420
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1343 → ECLI:NL:GHDHA:2025:3016
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:3016 Gerechtshof Den Haag 19-11-2025
- ECLI:NL:HR:2026:1137 Hoge Raad 03-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.195 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/00420
Datum 7 augustus 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2025, nr. BK-24/852.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Op 19 november 2025 heeft de griffier van het Hof de uitspraak van het Hof in het digitale dossier van het Hof geplaatst en belanghebbende daarvan een elektronisch notificatiebericht gestuurd.
Het beroepschrift in cassatie is op 16 januari 2026 in het digitale portaal van de Hoge Raad geplaatst.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 31 december 2025.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 11 februari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Wat belanghebbende in zijn portaalberichten van 11 februari 2026 en 19 februari 2026 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
ECLI:NL:GHDHA:2025:3016.
ECLI:NL:HR:2026:1137.
BELASTINGKAMER
Nummer 26/00420
Datum 7 augustus 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 november 2025, nr. BK-24/852.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verzoek om wraking ingediend, dat niet is toegewezen.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Op 19 november 2025 heeft de griffier van het Hof de uitspraak van het Hof in het digitale dossier van het Hof geplaatst en belanghebbende daarvan een elektronisch notificatiebericht gestuurd.
Het beroepschrift in cassatie is op 16 januari 2026 in het digitale portaal van de Hoge Raad geplaatst.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 31 december 2025.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 11 februari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Wat belanghebbende in zijn portaalberichten van 11 februari 2026 en 19 februari 2026 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
ECLI:NL:GHDHA:2025:3016.
ECLI:NL:HR:2026:1137.