Hoge Raad · 2026-08-07

ECLI:NL:HR:2026:1339, Hoge Raad, 07-08-2026

ECLI:NL:HR:2026:1339 🏛️ Hoge Raad

Art. 12 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; art. 6:20 en art. 6:39 Wet IB 2001; vrijgesteld inkomen van een instelling van de Europese Unie in relatie tot de drempelbedragen voor persoonsgebonden aftrek; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:1247

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
    
    
    
      BELASTINGKAMER
    
    
    
      
        Nummer 24/01880 
      
        Datum	7 augustus 2026
    
    
    
      ARREST
    
    
    
      in de zaak van
    
    
    
      
        [X] (hierna: belanghebbende)
    
    
    
      tegen
    
    
    
      de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
    
    
    
      op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 april 2024, nrs. BK-23/440 en BK-23/441, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/866) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 
    
    
  
  
    
      1Geding in cassatie
    
      Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
      De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
      Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
    
  
  
    
      2Beoordeling van de klachten
    De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nr. 24/02814, ECLI:NL:HR:2026:1247, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
  
  
    
      3Proceskosten
    De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
  
  
    
      4Beslissing
    De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
    
    
      Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
    
    
  
  
     ECLI:NL:GHDHA:2024:828.

Officiële bron

Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl.

Bekijk op rechtspraak.nl

Bron: open data van de Rechtspraak. Namen van privépersonen zijn door de Rechtspraak gepseudonimiseerd. Dit is algemene informatie, geen juridisch advies.