Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:1290

2026-07-17 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/03005
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/03005
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1451; Viditax (FutD) 2026071711; V-N Vandaag 2026/1497; FutD 2026-1263; V-N 2026/32.28.64; NTFR 2026/1371; BNB 2026/140

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 40, lid 2, Wet WOZ; vergoeding griffierecht en proceskostenvergoeding; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2025:1823

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.425 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 24/03005

Datum 17 juli 2026



ARREST



in de zaak van




[X] (hierna: belanghebbende)



tegen



het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2024, nr. BK-ARN 22/2268, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/1053) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.





1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.




2Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft in het midden gelaten of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit artikel is geschonden, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de grond dat belanghebbende zonder schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep zou hebben ingesteld.


2.2
De daartegen gerichte klacht is terecht voorgesteld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de in bezwaar gevraagde en onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallende gegevens, aan belanghebbende zijn verstrekt in de bezwaarfase.


2.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).




3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.



ECLI:NL:GHARL:2024:4138.