Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:1180

2026-07-07 Strafrecht 22/04640
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/04640
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; SR-Updates.nl 2026-0243; RvdW 2026/835

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen aanwezig hebben van hasj, art. 3.C Opiumwet. Verjaring, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 en 72.2 Sr). HR ambtshalve: O.g.v. wat is vermeld in CAG is HR van oordeel dat feit is verjaard. HR zal wat betreft dit feit het OM n-o verklaren in vervolging. Voor verminderen van duur van opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat aard en ernst van wat overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring. Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM. Samenhang met 22/04549, 22/04578, 22/04598 en 22/04601 en met 22/04661 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.894 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/04640

Datum 7 juli 2026




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-000840-18, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde, tot vermindering van de gevangenisstraf vanwege het vervallen van het recht tot vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde en de schending van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.




4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard.


4.2
De Hoge Raad zal wat betreft feit 6 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.




5Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde;
- vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.