Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1152
2026-07-03
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/03057
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1152 → ECLI:NL:GHARL:2024:4328
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1152 → ECLI:NL:PHR:2025:1127
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1152 → ECLI:NL:PHR:2025:1074
Inhoudsindicatie
Art. 40, lid 2, Wet WOZ; veroordeling proceskosten, ECLI:NL:HR:2025:106
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2025:106 Hoge Raad 24-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:4328 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2025:1127 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1074 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.181 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03057
Datum 3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1965, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4554) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Bestuur), vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende de correcties bij afwijking van de gemiddelde waardering van de factoren die een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging, te verstrekken.
2.2
Volgens het Hof is belanghebbende door de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet benadeeld omdat aannemelijk is dat belanghebbende ook kosten zou hebben gemaakt wanneer de toezendplicht niet was geschonden. Het Hof heeft overwogen dat de door belanghebbende ingenomen stelling dat bij de vastgestelde waarde onvoldoende rekening is gehouden met het afnemend grensnut, tot in hoger beroep de kern van het waardegeschil heeft gevormd. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende reeds in deze stelling voldoende aanleiding zag om beroep en hoger beroep in te stellen. Het Hof heeft de heffingsambtenaar daarom niet veroordeeld in de proceskosten voor het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank, en evenmin de heffingsambtenaar opgedragen het bij het Hof en de Rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
2.3
Voor zover het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, berust het, zoals volgt uit het hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel van het Hof, op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en faalt het daarom wegens gemis aan feitelijke grondslag.
2.4
De middelen richten zich voor het overige tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De middelen slagen in zoverre, aangezien een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat zonder de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zouden zijn ingesteld, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat er nog andere omstandigheden zijn die het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de heffingsambtenaar moeten opdragen aan belanghebbende het bij het Hof en bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden.
2.5
Gelet op wat hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank.
3Proceskosten
3.1
Het Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
3.2
De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien volgens de gemachtigde van belanghebbende geen bewijs ervan kan worden geleverd dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank, maar alleen voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreffen,
- draagt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- draagt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 561 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:4328.
ECLI:NL:PHR:2025:1127 met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1074.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03057
Datum 3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 22/1965, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/4554) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Bestuur), vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Beoordeling van de middelen
2.1
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft gehandeld door in de bezwaarfase niet te voldoen aan het verzoek van belanghebbende de correcties bij afwijking van de gemiddelde waardering van de factoren die een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging, te verstrekken.
2.2
Volgens het Hof is belanghebbende door de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet benadeeld omdat aannemelijk is dat belanghebbende ook kosten zou hebben gemaakt wanneer de toezendplicht niet was geschonden. Het Hof heeft overwogen dat de door belanghebbende ingenomen stelling dat bij de vastgestelde waarde onvoldoende rekening is gehouden met het afnemend grensnut, tot in hoger beroep de kern van het waardegeschil heeft gevormd. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende reeds in deze stelling voldoende aanleiding zag om beroep en hoger beroep in te stellen. Het Hof heeft de heffingsambtenaar daarom niet veroordeeld in de proceskosten voor het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank, en evenmin de heffingsambtenaar opgedragen het bij het Hof en de Rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
2.3
Voor zover het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, berust het, zoals volgt uit het hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel van het Hof, op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en faalt het daarom wegens gemis aan feitelijke grondslag.
2.4
De middelen richten zich voor het overige tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De middelen slagen in zoverre, aangezien een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat zonder de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zouden zijn ingesteld, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat er nog andere omstandigheden zijn die het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de heffingsambtenaar moeten opdragen aan belanghebbende het bij het Hof en bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden.
2.5
Gelet op wat hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank.
3Proceskosten
3.1
Het Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
3.2
De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien volgens de gemachtigde van belanghebbende geen bewijs ervan kan worden geleverd dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank, maar alleen voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreffen,
- draagt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- draagt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 49,
- veroordeelt het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 561 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:4328.
ECLI:NL:PHR:2025:1127 met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1074.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.