Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:1080

2026-07-07 Strafrecht 24/04491
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
24/04491
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; RvdW 2026/867

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk ontploffing teweegbrengen met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. materiële schade, art. 51f.1 Sv en art. 6:96.2.a BW. Kon hof kosten van inhuur van beveiligingsmedewerker aanmerken als rechtstreekse schade? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.637 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 24/04491

Datum 7 juli 2026



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 december 2024, nummer 23-000577-24, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten Y. Finani en A. Boumanjal bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.