Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:1001

2026-06-30 Strafrecht 24/02864
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-06-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/02864
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; SR-Updates.nl 2026-0237; RvdW 2026/777; NJ 2026/215

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder klager t.z.v. verdenking van rijden zonder geldig kenteken(bewijs). Kon Rb oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat auto zal worden verbeurdverklaard o.g.v. art. 33a.1 Sr? Rb heeft vastgesteld dat onder klager o.g.v. art. 94 Sv beslag is gelegd op de in klaagschrift genoemde auto. Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag dat is gelegd o.g.v. art. 94 Sv, moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Belang van strafvordering vordert o.m. voortduren van beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van voorwerp zal bevelen. In beschikking van Rb ligt als haar oordeel besloten dat inbeslaggenomen auto aan klager toebehoort a.b.i. art. 33a Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in licht van wat door en namens klager naar voren is gebracht. Daarbij is van belang dat in klaagschrift wordt aangevoerd dat klager de eigenaar is van auto en dat door of namens klager niet is gesteld dat auto (al dan niet in eigendom) toebehoorde aan leasemaatschappij. Daarbij verdient opmerking dat het enkele bestaan van leaseovereenkomst er niet aan in de weg hoeft te staan om aan te nemen dat auto aan klager toebehoort a.b.i. art. 33a Sr (vgl. HR:2004:AN9360). In het licht hiervan getuigt oordeel van Rb dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter verbeurdverklaring van auto o.g.v. art. 33a.1 Sr zal bevelen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Dat wordt niet anders als tot uitgangspunt zou worden genomen dat auto toebehoort aan leasemaatschappij. In dat geval zou zich immers situatie voordoen dat ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van auto moet worden beschouwd, en heeft klager onvoldoende belang bij klacht. Volgt verwerping. CAG: anders.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.989 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 24/02864 B

Datum 30 juni 2026




BESCHIKKING




op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2024, nummer RK 24/004534, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend



door




[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten S.A.H. Vromen en J.S. Nan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.




2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift over een op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) inbeslaggenomen leaseauto. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat die auto zal worden verbeurdverklaard.

2.2.1

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager – dat inhoudt dat hij eigenaar is van de onder hem inbeslaggenomen auto en dat strekt tot teruggave aan hem van die auto – ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen:
“Inleiding
Het beklag strekt tot teruggave van een auto van het merk Audi, type A3 sportback, met Duits [kenteken] .



Tegen de klager is de verdenking gerezen dat hij meermalen heeft gereden zonder geldig (kenteken)bewijs en zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994.



(...)



Het standpunt van klager
De klager heeft verzocht om teruggave van de auto, omdat hij rechtmatig gebruiker is van de auto. Namens klager is naar voren gebracht dat hij voor de auto motorrijtuigenbelasting betaalt en kort na de inbeslagname een aanslag BPM heeft ontvangen, die klager inmiddels heeft voldaan. Hij kan het kenteken van de auto niet omzetten, omdat de auto wordt geleased. Derhalve voldoet klager aan de wettelijke voorwaarden om met een buitenlands kenteken in Nederland te mogen rijden.



(...)



Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden. Indien het beklag zich richt tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich onder andere tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.



Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter (a) beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, (b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.



Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.



De rechtbank is van oordeel dat een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op het voertuig. Op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank vast dat tegen klager de verdenking is gerezen dat hij op 28 november 2023, 4 december 2023 en 6 januari 2024 zonder geldig kenteken heeft gereden. Dat klager inmiddels BPM-aangifte heeft gedaan en belasting zou betalen, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat de auto momenteel is voorzien van een juiste registratie en geschikt wordt geacht om deel te nemen aan het verkeer.



Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen. Een en ander kan anders zijn indien het beslag als disproportioneel zou moeten worden beoordeeld, maar hiervan is niet gebleken.”



2.2.2

Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer houdt onder meer in:
“De advocaat van de klager voert het woord:
Het gaat om een inbeslaggenomen leaseauto. In 2019 heeft cliënt contact gehad met de leasemaatschappij met de vraag of hij de auto mag omzetten. Zij hebben aangegeven dat het kenteken niet omgezet mag worden, zolang de afbetaling van de auto nog loopt. De RDW heeft de auto gekeurd en de BPM is vastgesteld. De belasting heeft ook bevestigd dat het onderzoek is uitgevoerd. Er worden twee wettelijke eisen gesteld, namelijk de BPM en belasting en dat heeft cliënt ook gedaan. Aan alle wettelijke eisen is voldaan zodat cliënt met de auto mag rijden. Hij mag het kenteken niet omzetten van de leasemaatschappij. Ter onderbouwing van mijn standpunt, wil ik graag stukken per mail overleggen (als bijlage gehecht aan dit proces-verbaal). Die stukken zijn in het Duits en het gaat specifiek om pagina 10. Ik stel mij primair op het standpunt dat cliënt aan alle wettelijke vereisten heeft voldaan om met de auto te mogen rijden. Subsidiair, indien u van oordeel bent dat niet aan alle wettelijke vereisten is voldaan, merk ik op dat cliënt vooralsnog maandelijks betaalt voor de leaseauto en dat hij in dat geval de auto wenst terug te geven aan de leasemaatschappij.



(...)



De klager verklaart daartoe:
Zoals mijn advocaat ook heeft aangegeven heb ik gevraagd of ik het kenteken mocht omzetten. Ik heb contact gezocht met de leasemaatschappij en de belastingdienst. Vanaf het begin heb ik wegenbelasting betaald en vanaf dit jaar is ook de BPM bepaald. Ik kreeg steeds verschillende informatie. Ik heb verschillende keren aangegeven dat ik een boete zou krijgen en ze zeiden dat ze dat zouden natrekken. Dit is zo door gegaan totdat mijn auto in beslag werd genomen. Toen begreep ik pas waarom dit allemaal was.”




2.3

Artikel 33a lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
(...)
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan.
(...)
2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:
a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of
b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”



2.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat onder de klager op grond van artikel 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift genoemde auto. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

2.5.1
In de beschikking van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat de inbeslaggenomen auto aan de klager toebehoort in de zin van artikel 33a Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van wat door en namens de klager naar voren is gebracht. Daarbij is van belang dat in het klaagschrift wordt aangevoerd dat de klager eigenaar is van de auto en dat door of namens de klager niet is gesteld dat de auto (al dan niet in eigendom) toebehoorde aan de leasemaatschappij. Daarbij verdient opmerking dat het enkele bestaan van een leaseovereenkomst er niet aan in de weg hoeft te staan om aan te nemen dat de auto aan de klager toebehoort in de zin van artikel 33a Sr (vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9360, rechtsoverweging 5.4).


2.5.2
In het licht hiervan getuigt het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van de auto op grond van artikel 33a lid 1 Sr zal bevelen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.


2.5.3
Dat wordt niet anders als – met het cassatiemiddel – tot uitgangspunt zou worden genomen dat de auto toebehoort aan de leasemaatschappij. In dat geval zou zich immers de situatie voordoen dat een ander dan de klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto moet worden beschouwd, en heeft de klager onvoldoende belang bij de klacht.



2.6
Het cassatiemiddel faalt.




3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.