Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:836

2025-06-03 Strafrecht 22/03493
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-06-03
Publicatiedatum
2025-06-02
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
22/03493
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2025/751

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed drugs, art. 8.5 WVW 1994. 1. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van verbalisant als getuige, op de grond dat er geen verdedigingsbelang is. 2. Verbaliseringsplicht van art. 152 Sv. Kon hof oordelen dat p-v van verbalisant niet van bewijs hoeft te worden uitgesloten? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.314 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 22/03493

Datum 3 juni 2025



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2022, nummer 21-004945-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.W.D. Roozemond bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De advocaat J.J.J. Zwaan en de raadsman van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 850 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.