Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:802
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:802 → ECLI:NL:GHAMS:2022:3407
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:802 → ECLI:NL:PHR:2025:344
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Voorhanden hebben van 2.500 kilogram illegaal vuurwerk in loods en voorhanden hebben buiten daartoe vergunde inrichting, art. 9.2.2.1 Wet milieubeheer en art. 1.2.2.1 jo. 1.2.4.1 Vuurwerkbesluit (oud). 1. Afwijzing van de bij appelschriftuur gedane en ttz. in hoger beroep gehandhaafde getuigenverzoeken, op de grond dat verdediging de noodzakelijkheid daarvan onvoldoende heeft onderbouwd. 2. Kwalificatieklacht voorhanden van vuurwerk, onderlinge verhouding tussen art. 1.2.2.1 en 1.2.2.3 Vuurwerkbesluit (oud). Kon hof het bewezenverklaarde kwalificeren als art. 1.2.2.1 Vuurwerkbesluit (oud)? 3. Bewijsminimum t.a.v. voorhanden hebben buiten daartoe vergunde inrichting, art. 341.4 Sv. Heeft hof de bewezenverklaring uitsluitend aangenomen op opgaven van verdachte? HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.554 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/04531 E
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 1 december 2022, nummer 23-004673-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.