Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:777

2025-06-10 Strafrecht 24/01156
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-06-10
Publicatiedatum
2025-05-20
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/01156
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2025/791

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen feitelijke aanranding van de eerbaarheid op middelbare school (meermalen gepleegd), art. 246 (oud) Sr. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Schriftuur te laat. HR kan beroep van verdachte dus niet in behandeling nemen. Verdachte n-o. Samenhang met 24/01175 J.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.689 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 24/01156 J

Datum 10 juni 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 maart 2024, nummer 20-001231-23, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem een schriftuur ingediend, die echter pas bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.




2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).



3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.