Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:736
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:736 → ECLI:NL:PHR:2025:236
Inhoudsindicatie
Onderzoek Amber. Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. vervoeren en invoeren van cocaïne door aanwezig te zijn bij heimelijke bespreking met personen uit Colombia en Venezuela in koffiehuis, art. 10a.1.2 jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet. 1. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van getuige à décharge, op de grond dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door afwijzing niet in zijn verdediging wordt geschaad. 2. Bewijsklachten en verweer dat gedragingen van verdachte geen voorbereidingshandelingen a.b.i. art. 10a Opiumwet opleveren. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01465, 23/01510 P, 23/01511, 23/01513 P, 23/01604, 23/01614 en 23/01616 P en met 23/01582 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend; verdachte n-o).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.283 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/01593
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, nummer 23-002229-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.