Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:717
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:717 → ECLI:NL:GHAMS:2022:2723
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:717 → ECLI:NL:PHR:2025:339
Inhoudsindicatie
Als vreemdeling (Poolse nationaliteit) in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard (art. 197 Sr). Vrijspraak eerste aanleg. Bewijsklacht “o.g.v. wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard”. Vormde verdachte t.t.v. tenlastegelegd feit o.g.v. zijn persoonlijke gedragingen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor fundamenteel belang van samenleving a.b.i. art. 27 Richtlijn 2004/38/EG? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat verdachte vóór zijn ongewenstverklaring 13 winkeldiefstallen heeft gepleegd in tijdsbestek van 7 jaren. Verder heeft hof bij zijn oordeelsvorming betrokken dat verdachte na zijn ongewenstverklaring (op 3-7-2020) en na ommekomst van ISD-maatregel (op 27-4-2021) opnieuw winkeldiefstal heeft gepleegd (op 16-9-2021). Aldus heeft hof vastgesteld dat verdachte ook na zijn ongewenstverklaring hetzelfde soort strafbaar gedrag heeft vertoond als gedrag dat grondslag vormde voor opleggen van die ongewenstverklaring. Ook heeft hof vastgesteld dat dit gedrag voortvloeit uit verslaving, die deels wordt gekenschetst als “ernstige stoornis”, en uit problematiek op gebied van wonen, financiën en vaardigheden, waarvoor verdachte zich t.t.v. tlgd. niet wilde laten behandelen. Wat aard van bedreiging betreft, heeft hof uiteengezet welke ingrijpende gevolgen winkeldiefstal heeft voor slachtoffers en maatschappij. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat ongewenstverklaring ook t.t.v. tlgd. gedraging niet in strijd was met Unierecht, is daarom niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2723 Gerechtshof Amsterdam 19-09-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.010 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/03572
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 september 2022, nummer 23-002694-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.C. Stoop bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit – kort gezegd: het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven – op grond van zijn persoonlijke gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde in de zin van artikel 27 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PbEU 2004, L 158).
2.2
De bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen zijn weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2022:2723.
2.3
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.