Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:632

2025-04-22 Strafrecht 22/04572
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-04-22
Publicatiedatum
2025-04-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/04572
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2025/605

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen afpersing (art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat aangifte onvoldoende steun vindt in bewijsmiddelen en dat aangifte niet betrouwbaar is.HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs nadere bewijsoverweging kan worden afgeleid dat hof voldoende steun heeft gevonden voor aangevers verklaring in feiten en omstandigheden uit getuigenverklaringen waarnaar wordt verwezen in bewijsoverweging en dat hof aangevers verklaring betrouwbaar heeft bevonden, mede gelet op de (op meerdere punten van elkaar afwijkende) verklaringen van verdachte en medeverdachte die daar door verdediging tegenover zijn gezet. Die conclusies zijn niet onbegrijpelijk. “Mede” o.g.v. voorgaande heeft hof overwogen dat door verdediging geschetst alternatief scenario, o.m. inhoudende (i) dat aangever al thuis was op moment dat verdachten bij zijn woning arriveerden en (ii) dat aangever hennep zou telen dan wel hennep zou verhandelen, onvoldoende aannemelijk is geworden. Hof heeft daarmee verweer dat verklaring van aangever geen steun vindt in b.m. en verweer dat aangevers verklaring niet betrouwbaar is, uitdrukkelijk en toereikend beargumenteerd verworpen. Volgt verwerping. Samenhang met 22/04612.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.631 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/04572

Datum 22 april 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 december 2022, nummer 23-000618-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en P. van Dongen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van de door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat de aangifte onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen en dat de aangifte niet betrouwbaar is.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en 5.




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 26 maanden.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 25 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.