Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:626
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:626 → ECLI:NL:PHR:2025:154
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder klager naar aanleiding van ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, waarna strafrechter heeft beslist tot teruggave van auto aan klager. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 134.2.a Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. CAG: Beslissing omtrent beslag in strafvonnis (teruggave van auto aan klager) brengt met zich dat klager geen belang meer heeft bij beroep tegen beschikking waarin zijn beklag ongegrond is verklaard en dat hij daarom in beroep n-o moet worden verklaard. In beschikking Rb is immers beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag. Door beslissing omtrent beslag in strafzaak kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Klager n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.458 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/01748 B
Datum 22 april 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 april 2023, nummer RK 23/001954, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de klager.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat M. van Viegen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.