Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:583
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:583 → ECLI:NL:GHDHA:2024:630 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:583 → ECLI:NL:PHR:2025:250
Inhoudsindicatie
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid door overdag in kantoorsituatie onverhoeds met zijn onderlichaam tegen billen van aangeefster te botsen die voorover gebogen met haar handen op tafel staat, art. 246 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Seksuele aard van bewezenverklaarde handeling en verweer dat aangever door handeling niet direct fysiek is aangeraakt maar door flesje dat zich in verdachtes broekzak bevond. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit bewijsmiddelen blijkt seksuele aard van bewezenverklaarde handeling, gelet op wijze van aanraking (botsende beweging, daarbij betrokken lichaamsdelen van verdachte (voorzijde van onderlichaam) en van aangeefster (billen), houding die verdachte aannam (achter aangeefster met beide handen in de lucht), en houding waarin aangeefster zich bevond (voorovergebogen met haar handen op tafel). Omstandigheid dat handeling bedoeld was als grap doet aan een en ander niet af, omdat dit seksuele aard van handeling niet wegneemt, nu ook grap een seksuele lading kan hebben. Dat hof niet nader heeft vastgesteld met welk deel van onderlichaam de verdachte tegen billen van aangeefster is aangebotst doet aan begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel of toereikendheid van motivering niet af. Hof heeft door raadsman aangevoerde klaarblijkelijk opgevat als verweer inzake ontbreken van opzet. Hof heeft dit verweer (toereikend gemotiveerd) verworpen. Hof heeft geen afzonderlijke bewijsoverweging gewijd aan de door raadsman aangevoerde omstandigheid dat aangever door handeling niet direct fysiek zou zijn aangeraakt maar door flesje dat zich in verdachtes broekzak bevond. Kennelijk heeft hof hetgeen daaromtrent door raadsman is aangevoerd niet als zelfstandig responsieplichtig standpunt aangemerkt. Dat is niet onbegrijpelijk, nu door raadsman alleen is gewezen op voornoemde omstandigheid i.h.k.v. het ontbreken van verdachtes opzet. Nadere, zelfstandige, onderbouwing ontbreekt. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2026:554 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:967 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (1.427 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/00930
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2024, nummer 22-001318-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten E.A. Blok en J. Vermaat bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de (motivering van de) bewezenverklaring.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.