Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:582
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:582 → ECLI:NL:GHAMS:2023:2208
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:582 → ECLI:NL:PHR:2025:188
Inhoudsindicatie
Jarenlang seksueel misbruik van 2 nichtjes, die jonger dan 12 jaren zijn, door 18-jarige/24-jarige verdachte, art. 244 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in andere bewijsmiddelen? 2. Schrifturen benadeelde partijen. Kunnen klachten over ’s hofs oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan verdachte de bijzondere voorwaarde op te leggen dat hij aan slachtoffers een schadevergoeding moet voldoen, worden aangemerkt als cassatiemiddelen a.b.i. art. 437.3 Sv? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft aldus bij beoordeling van vraag of aan bewijsminimumvoorschrift van art. 342.2 Sv is voldaan, betekenis kunnen toekennen aan verwantschap tussen de uit gebruikten b.m. blijkende modus operandi, handelingen van verdachte en omstandigheden waaronder deze plaatsvonden bij beide feiten en zo ook aan reactie van moeder waarover aangeefsters hebben verklaard, verklaring van getuige en medisch dossier van 1 van de meisjes. In het licht van ’s hofs totale bewijsvoering kan niet worden gezegd dat tot bewijs gebezigde verklaringen van aangeefsters onvoldoende steun vinden in overig gebezigd bewijsmateriaal. Derhalve heeft hof de bewezenverklaring naar eis der wet voldoende met redenen omkleed. Ad 2. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen cassatiemiddelen a.b.i. wet. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen a.b.i. art. 437.3 Sv. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over rechtspunt betreffende haar vordering. Schrifturen voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.429 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/03827
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2023, nummer 23-000303-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en R.L. Vermeulen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens [benadeelde 1] heeft de advocaat H.W. Leemans bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Namens [benadeelde 2] heeft de advocaat M. Ferwerda bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd. De advocaat van [benadeelde 2] heeft daarop eveneens schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 17.
3. Beoordeling van de schrifturen die namens de benadeelde partijen zijn ingediend
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schrifturen voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.