Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:542

2025-06-03 Strafrecht 24/02989
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-06-03
Publicatiedatum
2025-04-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
24/02989
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2025/763

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Zedenzaak. Ontucht met 10-jarige jongen door 33-jarige verdachte tijdens het gamen, art. 247 (oud) Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.649 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 24/02989

Datum 3 juni 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2024, nummer 21-000585-23, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.G. Vos bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.