Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:514
2025-04-08
Strafrecht
22/04713
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:514 → ECLI:NL:GHAMS:2024:3351
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:514 → ECLI:NL:PHR:2024:1316
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:514 → ECLI:NL:PHR:2025:348
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Op grond gooien en achterlaten van papieren zakdoek (art. 18.1 (oud) Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 jo. 10.23.1 (oud) Wet milieubeheer). Post-Keskin. Gebruik voor bewijs van p-v van verbalisant die verdediging niet heeft kunnen ondervragen, terwijl verbalisant wel in aanvullend p-v schriftelijke vragen van verdediging heeft beantwoord. Voldoet procedure in haar geheel aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces? HR: art. 81.1 RO. Vervolg op HR:2024:1772 (tussenarrest). Samenhang met 22/04708 en 22/04709 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1771 Hoge Raad 03-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.475 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04713 E
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 13 december 2022, nummer 23-004418-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1Verder procesverloop in cassatie
De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1771, geoordeeld dat het cassatieberoep van de verdachte ontvankelijk is. Bij dat arrest is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aanvullende cassatiemiddel.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.
STRAFKAMER
Nummer 22/04713 E
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 13 december 2022, nummer 23-004418-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1Verder procesverloop in cassatie
De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1771, geoordeeld dat het cassatieberoep van de verdachte ontvankelijk is. Bij dat arrest is de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aanvullende cassatiemiddel.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.