Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:492
2025-04-01
Strafrecht
22/02327
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:492 → ECLI:NL:PHR:2025:216
Inhoudsindicatie
Mishandeling door tegen hoofd van ander te slaan (art. 300.1 Sr). Vordering benadeelde partij. Proceskosten, art. 532 Sv. Kon hof de verdachte veroordelen in de door b.p. gemaakte reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Uit p-v ttz. in hoger beroep blijkt dat b.p. werd bijgestaan door advocaat die eveneens als gemachtigde is opgetreden bij indiening van verzoek tot schadevergoeding. Gelet op HR:2023:414 biedt wettelijk stelsel geen ruimte voor vergoeding van reiskosten van b.p. als zij met gemachtigde procederen. Volgt (partiele) vernietiging t.a.v. proceskosten. HR doet zaak zelf af en wijst kosten af.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2394 Rechtbank Midden-Nederland 15-05-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:4685 Rechtbank Noord-Holland 30-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14889 Rechtbank Noord-Holland 19-12-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:12170 Rechtbank Limburg 09-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:5991 Rechtbank Noord-Holland 27-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:438 Parket bij de Hoge Raad 15-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.263 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02327
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2022, nummer 21-001143-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van de benadeelde partij ten bedrage van € 10,92 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de veroordeling van de verdachte in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] , te weten de reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde, ten bedrage van € 10,92.
3.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.9. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en deze kosten afwijzen.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] ten bedrage van € 10,92;
- wijst deze door [benadeelde] gevorderde kosten ten bedrage van € 10,92 af;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
STRAFKAMER
Nummer 22/02327
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2022, nummer 21-001143-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van de benadeelde partij ten bedrage van € 10,92 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de veroordeling van de verdachte in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] , te weten de reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde, ten bedrage van € 10,92.
3.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.9. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en deze kosten afwijzen.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] ten bedrage van € 10,92;
- wijst deze door [benadeelde] gevorderde kosten ten bedrage van € 10,92 af;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.