Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:490
2025-04-01
Strafrecht
23/03884
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:490 → ECLI:NL:GHDHA:2023:2969 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:490 → ECLI:NL:PHR:2025:197
Inhoudsindicatie
Diefstal (art. 310 Sr) en opzetheling (art. 416.1.a Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Heeft hof beslissing op tul vordering gemotiveerd? Deze beslissing is, anders dan art. 6:6:5.1 jo. 6:6:21.1 Sv vereist, niet gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op tul vordering en terugwijzing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2025:1008 Parket bij de Hoge Raad 23-09-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.196 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03884
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-003388-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.G. Schroeder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet is gemotiveerd.
3.2.1
De verdachte is veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand.
3.2.2
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Dat vonnis houdt daarover uitsluitend in:
“Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
3.3
Deze beslissing is, anders dan artikel 6:6:5 lid 1 in samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vereist, niet gemotiveerd. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
STRAFKAMER
Nummer 23/03884
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2023, nummer 22-003388-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.G. Schroeder, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet is gemotiveerd.
3.2.1
De verdachte is veroordeeld voor diefstal en opzetheling tot een gevangenisstraf van één maand.
3.2.2
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is de vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen. Dat vonnis houdt daarover uitsluitend in:
“Tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 weken, van de bij vonnis van 5 december 2019 van de politierechter aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.”
3.3
Deze beslissing is, anders dan artikel 6:6:5 lid 1 in samenhang met artikel 6:6:21 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vereist, niet gemotiveerd. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.