Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:397

2025-03-18 Strafrecht 22/03746
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-03-18
Publicatiedatum
2025-03-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/03746
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2025-0100 | RvdW 2025/452

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Zware mishandeling van ex-partner door zijn hond opdracht te geven haar te bijten, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van ex-partner en haar dochter. Kunnen verklaringen van ex-partner en haar dochter voor bewijs worden gebruikt? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Middel gaat er ten onrechte vanuit dat verklaring van dochter van ex-partner (tegen verbalisant) is gegeven terwijl ex-partner in ambulance werd gesproken door andere verbalisant. Uit p-v van bevindingen van verbalisant blijkt immers dat beide verklaringen, kort na elkaar, zijn afgelegd tegenover dezelfde verbalisant. Dat in p-v geen tijdstip is vermeld wanneer verklaringen zijn afgelegd, doet niet ter zake. In ‘s hofs overwegingen ligt besloten dat dochter en ex-partner kort na incident onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat verdachte de hond de opdracht had gegeven om ex-partner te bijten. Hof heeft voorts vastgesteld dat zij ook in hun latere verklaringen op dit punt niet essentieel van hun eerste verklaringen zijn afgeweken. Gelet op deze vaststellingen is ’s hofs oordeel dat verklaringen van dochter en ex-partner consistent en daarom betrouwbaar en bruikbaar als bewijsmateriaal zijn, niet onbegrijpelijk en (ook in het licht van hetgeen ttz. in hoger beroep door verdediging is aangevoerd) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.156 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/03746

Datum 18 maart 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2022, nummer 22-001430-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.




3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.