Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:330
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:330 → ECLI:NL:GHAMS:2022:2079
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:330 → ECLI:NL:PHR:2024:1186
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Meerdere (opzettelijk begane) overtredingen van Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door rechtspersoon door als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen niet met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen, art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat aan bestuurder van transporteenheid gevaarlijke stoffen geen strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt, art. 359.2 Sv. 2. Kon hof oordelen dat gedragingen van bestuurder van transporteenheid redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend? 3. Kon hof oordelen dat “feit dat UN-nummer 3264 op certificaat wordt vermeld” niet betekent dat “alle stoffen die daaronder vallen in tankoplegger zijn toegelaten” en dat dit slechts geldt “voor specifiek vermelde stoffen”? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02114 E.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.543 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/02073 E
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 31 mei 2022, nummer 23-001513-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van één van de opgelegde geldboetes, namelijk die van € 1.500.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- vermindert de geldboete van € 1.500 in die zin dat deze € 1.350 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.