Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:269
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:269 → ECLI:NL:GHAMS:2022:2530
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:269 → ECLI:NL:PHR:2024:1324
Inhoudsindicatie
Belediging van ambtenaar door hoofdconductrice van trein in haar gezicht te spugen (art. 266.1 en art. 267.1.2 Sr). OM niet-ontvankelijk verklaard in eerste aanleg. Klachtvereiste a.b.i. art. 269.1 Sr en bewijsklachten “ambtenaar”. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat aangeefster t.t.v. incident werkzaam was in functie van “hoofdconducteur(trice)” en dat zij in die hoedanigheid en tijdens haar werkzaamheden in trein de verdachte tot de orde heeft geroepen. Uit hoofde van die functie was zij ex art. 2 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar NS Groep N.V. 2017 tevens buitengewoon opsporingsambtenaar en daarmee ambtenaar. Nu aangeefster werkzaam was als ambtenaar a.b.i. art. 267.1.2 Sr geldt hier ex art. 269.2 Sr geen klachtvereiste. Van schending van art. 342.2 Sv (unus testis nullus testis) en denaturering van verklaring van verdachte door hof, is geen sprake. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.074 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/03343
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 augustus 2022, nummer 23-002366-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Viegen, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen komen op tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, en tegen de bewezenverklaring.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één week volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.