Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:257
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:257 → ECLI:NL:GHAMS:2023:1433
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:257 → ECLI:NL:PHR:2025:100
Inhoudsindicatie
Medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), medeplegen opzettelijke uitvoer van cocaïne naar Ierland (art. 2.A Opiumwet), medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en eendaadse samenloop van deelneming aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met drugshandel (art. 11b.1 Opiumwet) en plegen van (andere) misdrijven (art. 140.1 Sr). 1. Bewijsklachten uitvoer van cocaïne naar Ierland. Betrouwbaarheid van verklaringen van medeverdachte en innerlijke tegenstrijdigheid bewijsvoering. 2. Bewijsklachten gewoontewitwassen. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. criminele herkomst van geldbedragen en wetenschap van verdachte. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02435, 23/02440 en 23/02488 P en met 23/02438 P en 23/02441 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.628 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/02489
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2023, nummer 23-001322-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.