Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:254
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:254 → ECLI:NL:GHAMS:2023:1430
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:254 → ECLI:NL:PHR:2025:101
Inhoudsindicatie
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en eendaadse samenloop van deelneming aan criminele organisatie die zich op grote schaal bezighoudt met drugshandel (art. 11b.1 Opiumwet) en plegen van (andere) misdrijven (art. 140.1 Sr). 1. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot het horen van getuige, op de grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd en verdachte door afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. 2. Bewijsklacht gewoontewitwassen t.a.v. pleegperiode. 3. Bewijsklachten deelneming aan criminele organisatie t.a.v. oogmerk en pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02435, 23/02488 P en 23/02489 en met 23/02438 P en 23/02441 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.679 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/02440
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2023, nummer 23-001243-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F. Visser, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.