Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:252
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:252 → ECLI:NL:GHSHE:2023:333
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:252 → ECLI:NL:PHR:2025:113
Inhoudsindicatie
Moord door in 2015 in Eindhoven met vuurwapen kogels in richting van ander te schieten, waarbij deze door kogel is getroffen (art. 289 Sr) en medeplegen poging tot doodslag door ander meermalen met ijzeren pijp/buis te slaan (art. 287 Sr). 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM, omdat OM het hof in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde heeft geïnformeerd en OM het hof en verdediging heeft misleid dan wel in ernstige mate gebrekkig heeft geïnformeerd m.b.t. NIFP-rapportage m.b.t. persoon van kroongetuige. 2. Bewijsklachten moord. 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zakelijke weergave van verhoor van getuige (toenmalige partner van verdachte) terzijde moet worden geschoven, art. 359.2 Sv. 4. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend dat verdachte niet schutter kan zijn geweest, omdat verdachte niet past in signalement dat door ooggetuigen op plaats delict is opgegeven, art. 359.2 Sv. 5. Kon hof een onherroepelijk vonnis tegen medeverdachte voor bewijs gebruiken, nu uit verhandelde ttz. niet kan volgen dat dit stuk aan verdachte is voorgehouden? Art. 301.4 Sv. 6. Bewijsklacht doodslag. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 7. Strafmotivering (gevangenisstraf van 20 jaren). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat hof in strafmatigende zin rekening moet houden met nieuwe VI-regeling, nu zaak zonder inzet van kroongetuige ruim voor inwerkingtreding nieuwe VI-regeling had kunnen worden afgedaan, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.736 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/00364
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 januari 2023, nummer 20-004101-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste tot en met het zevende cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het achtste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.