Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:207
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:207 → ECLI:NL:GHSHE:2023:823
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:207 → ECLI:NL:PHR:2025:51
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van MDMA in woning van verdachte, art. 2.C Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten, alternatieve scenario’s dat niet verdachte maar ander de in zijn woning aangetroffen drugs aanwezig heeft gehad. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden klachten van middel niet tot cassatie. CAG: M.b.t. eerste scenario (in woning aanwezige vriendin van verdachte en haar zoon hebben drugs daar verstopt) geldt dat hof dit als niet aannemelijk heeft beoordeeld gelet op verklaringen van verdachte in eerste aanleg dat zijn vriendin en haar zoon niets met drugs te maken hadden en inhoudelijk gelijkluidende verklaringen van zijn vriendin en haar zoon. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte (althans zijn advocaat) in hoger beroep enigszins is teruggekomen op verklaring in e.a., maakt dit niet anders, verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard. M.b.t. scenario dat een derde de drugs heeft verstopt, kan worden vastgesteld dat klacht berust op verkeerde lezing van arrest. Hof heeft niet ontkend dat verdachte eerder over alarmmelding heeft verteld, maar acht van betekenis dat verdachte pas in h.b. het meldingenrapport heeft overgelegd. Dit laatste wordt in cassatie niet betwist. Verder is kern van verwerping van verweer door hof dat het zonder enig nader aanknopingspunt hoogst onwaarschijnlijk is dat onbekend gebleven derde, die niet op legitieme wijze toegang heeft tot woning van verdachte, daar drugs zou verstoppen (en aldus zelf de beschikkingsmacht hierover zou verliezen). Klachten kunnen dan ook niet tot oordeel leiden dat verwerping van alternatief scenario door hof onbegrijpelijk is. Volgt verwerping. Samenhang met 23/00922 en 23/00943.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2025:410 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (2.222 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/00848
Datum 11 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 februari 2023, nummer 20-003280-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring met klachten die zijn gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring.
2.2
De klachten van het cassatiemiddel leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2025.