Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:193

2025-02-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 23/04361
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-02-07
Publicatiedatum
2025-02-06
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/04361
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJB 2025/372 | RvdW 2025/255 | NTHR 2025/23, p.105

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Financieel recht. Procesrecht. Hof oordeelt dat binnen beoogde structuur beëindiging vermogensbeheer alleen kon door inleveren aandelen in fonds tegen uitkering van waarde, waarbij niet past beëindiging door ontslag van bestuurder van fonds en opzeggen van investment management overeenkomst. Klachten: essentiële stellingen opzegmogelijkheid gepasseerd en onjuist vergoedingspercentage in dictum. In cassatie als verweer beroep op gezag van gewijsde. Samenhang met HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:67.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.520 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



CIVIELE KAMER






Nummer 23/04361

Datum 7 februari 2025




ARREST




In de zaak van



UPPER BROOK (I) LIMITED,
gevestigd op de Kaaimaneilanden,
EISERES tot cassatie,
hierna: Upper Brook (I),
advocaat: F.E. Vermeulen,



tegen



PALLADYNE INTERNATIONAL ASSET MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: PIAM,
advocaat: E.M. Tjon-En-Fa.





1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/13/641521 / HA ZA 18-40 van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021;
b. de arresten in de zaken 200.292.372/01 en 200.292.383/01 van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2022 en 8 augustus 2023.
Upper Brook (I) heeft tegen het arrest van het hof van 8 augustus 2023 beroep in cassatie ingesteld.PIAM heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Upper Brook (I) mede door H.A.W. Ruiter.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van Upper Brook (I) heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.






2Uitgangspunten en feiten

2.1
Voor de feiten en omstandigheden waarvan in cassatie kan worden uitgegaan en voor het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2-2.35.



2.2
Voor zover in cassatie van belang heeft het hof als volgt beslist:


“6. Beslissing



Het hof:




in de zaak met zaaknummer 200.292.372/01




[…]




6.8.
verklaart voor recht dat PIAM vanaf 11 juli 2014 jegens Upper Brook (I) gerechtigd is tot de volledige fee van 2,5% per jaar over de NAV, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de respectieve vervaldata van de kwartaalbedragen (zijnde de eerste dag van elk kwartaal) tot de dag van betaling, zolang het vermogensbeheer door PIAM niet rechtsgeldig is beëindigd en ter uitvoering daarvan overdracht van de assets uit het fonds aan een andere investment manager heeft plaatsgevonden of de assets op de daarvoor aangewezen weg zijn geliquideerd en uitgekeerd aan LIA;”






3Beoordeling van het middel

3.1
De klachten van de onderdelen 1.1 (waaronder 1.1.1 en 1.1.2), 1.2 (waaronder 1.2.1 en 1.2.2) en 1.3.1 van het middel falen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.17-3.22, 3.25-3.28 respectievelijk 3.32-3.33. Hieruit volgt dat het beroep van PIAM op het gezag van gewijsde van een aantal beslissingen in een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2023 geen behandeling behoeft.



3.2
Onderdeel 2.2 klaagt over de onder 6.8 van het dictum gegeven verklaring voor recht dat PIAM recht heeft op een management fee van 2,5% per jaar over de Net Asset Value van het fonds. Deze klacht slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat tussen partijen aanvankelijk een management fee van 0,625% per kwartaal was overeengekomen, maar dat zij nadien nadere afspraken over de hoogte van de management fee hebben gemaakt, die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde management fee lager is dan het oorspronkelijk afgesproken percentage.



3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).



3.4
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door te beslissen als hierna vermeld.



3.5
PIAM heeft voorafgaand aan de cassatieprocedure erkend dat het dictum een fout bevat en heeft in verband daarmee onvoorwaardelijk afstand gedaan van enige aanspraak die zij op basis van die fout zou kunnen hebben. In de cassatieprocedure heeft PIAM dit herhaald (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.55-3.56). De Hoge Raad ziet in het voorgaande aanleiding om Upper Brook (I) als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het cassatieberoep te veroordelen.






4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2023, maar uitsluitend voor zover in het dictum onder 6.8 is vermeld: “van 2,5% per jaar over de NAV”, zodat het dictum komt te luiden:



“6.8. verklaart voor recht dat PIAM vanaf 11 juli 2014 jegens Upper Brook (I) gerechtigd is tot de volledige fee, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de respectieve vervaldata van de kwartaalbedragen (zijnde de eerste dag van elk kwartaal) tot de dag van betaling, zolang het vermogensbeheer door PIAM niet rechtsgeldig is beëindigd en ter uitvoering daarvan overdracht van de assets uit het fonds aan een andere investment manager heeft plaatsgevonden of de assets op de daarvoor aangewezen weg zijn geliquideerd en uitgekeerd aan LIA;”;



- veroordeelt Upper Brook (I) in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van PIAM begroot op € 14.229,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Upper Brook (I) deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.





Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 februari 2025.





Gerechtshof Amsterdam 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1922. Zie voor het eindvonnis in eerste aanleg: rechtbank Amsterdam 24 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:535.


Gerechtshof Amsterdam 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1918.