Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:1777

2025-11-25 Strafrecht 23/02569
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-11-25
Publicatiedatum
2025-11-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
23/02569
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2026/25

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen, art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen t.a.v. medeverdachte. 2. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat uit “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02576.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.615 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 23/02569

Datum 25 november 2025



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2023, nummer 23-001716-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.R. Kops bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.