Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1678
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1678 → ECLI:NL:GHSHE:2024:760
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1678 → ECLI:NL:PHR:2025:1076
Inhoudsindicatie
Langdurig seksueel misbruik van 8-jarige/11-jarige (stief)kleindochter door (stief)opa, art. 244 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr en art. 249.1 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Redengevendheid voor bewijs van getuigenverklaring. Is onderdeel van getuigenverklaring redengevend voor bewezenverklaring, nu hieruit volgt dat aangeefster in verleden ontkennend heeft geantwoord op vraag van getuige of zij weleens werd betast door verdachte? 2. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat wijze waarop “disclosure” tot stand is gekomen steunbewijs vormt voor aangifte. Eerder vermoeden van getuige en aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover haar plaatst hof expliciet in deze context. Hoewel dergelijke ontkenning op zichzelf niet redengevend is voor bewezenverklaring, maakt aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover getuige i.h.k.v. de door hof voor bewijs gebruikte wijze van “disclosure” dat gehele voor bewijs gebruikte verklaring van getuige feiten en omstandigheden bevat die redengevend zijn voor bewezenverklaring van feiten. Ad 2. Verklaring van aangeefster vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking genomen dat verklaring van aangeefster ook op concrete en specifieke punten bevestiging vindt in andere b.m. Voor bewijs gebruikte verklaring van getuige ondersteunt verklaringen van aangeefster immers op onderdeel dat wezenlijke en specifieke omstandigheid van bewezenverklaarde gedragingen betreft, te weten ervaren pijn bij seksuele handelingen door lange en sterke nagels van verdachte. Van schending van art. 342.2 Sv is dan ook geen sprake. ’s Hofs oordeel getuigt daarmee niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.664 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/00916
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2024, nummer 20-002325-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.W. Heemskerk bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Het tweede cassatiemiddel klaagt in het bijzonder dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering die bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.