Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:1554
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1554 → ECLI:NL:GHARL:2022:10795
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:1554 → ECLI:NL:PHR:2025:859
Inhoudsindicatie
Medeplegen voortgezette handeling van oplichting, begaan door rechtspersoon (art. 326.1 Sr). 1. Kon hof oordelen dat verdachte eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM heeft gehad ondanks ontbrekende stukken in dossier? 2. Afwijzing van getuigenverzoeken o.g.v. noodzaakcriterium. 3. Bewijsklacht. Vindt ‘oogmerk om zich of ander wederrechtelijk te bevoordelen’ voldoende steun in bewijsvoering? 4. Bewijsklachten listige kunstgrepen en bewegen tot. Is sprake van ‘listige kunstgrepen’ en blijkt uit bewijsvoering dat A (voorzitter van raad van commissaris van energiebedrijf) door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ afgifte van gelden? 5. Kunnen gedragingen van B (directeur van energiebedrijf en grootaandeelhouder van verdachte) worden toegerekend aan verdachte? 6. Strafmotivering (geldboete van € 450.000). Kon hof een geldboete uit naastgelegen hogere categorie a.b.i. art. 23.7 Sr opleggen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04905, 22/04906 en 22/04941.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2026:68 Parket bij de Hoge Raad 13-01-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (2.496 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/04942
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2022, nummer 21-002132-18, in de strafzaak
tegen
[A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 450.000.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 447.500 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.